Thomas en de watermeloen

Wat was dat een prachtige watermeloen die zijn vader meebracht! Zo’n grote had Tommy nog nooit eerder gezien. En wat was hij zwaar! “Hoera, vader”, riep hij, “even een mes halen en…….” “Ho, ho, kalm een beetje”, zei vader, “we bewaren hem tot zaterdagavond. Dan komen opa, oma, oom en tante op het avondeten, en met moeder er bij eten we hem dan allemaal op.”

“Zaterdagavond?” zuchtte Tom, “en het is nu pas woensdag! Z’n vader lachte. “Ja, ik had met kopen best kunnen wachten tot het eind van de week, maar ik wilde er zeker van zijn een mooie lekkere meloen te hebben.” en toen moeder zijn bepaald niet vrolijke gezicht zag, zei ze: “Luister eens goed Tommy, we eten de meloen niet vóór zaterdag op, en voor die tijd hoef je er niet over te praten, begrepen?“

“Ja, moeder”, zeiTommy , maar hij wist nog niet hoe hij het al die tijd uit moest houden.

De volgende morgen speelde Tommy achter het huis in de tuin. Daar kwam zijn moeder aan. “Tommy, ik ga even een boodschap doen, beloof je me in de tuin te blijven spelen?”“Ja , moeder”, beloofde Tommy.Toen zijn moeder weg was, begon Tommy te spelen met de truck, die hij voor zijn verjaardag gekregen had. Hij had het er erg druk mee, toen hij ineens vanuit zijn ooghoeken iets zag. Daar stond Ben, een jongen, die hem dikwijls in de narigheid bracht. Tommy deed net of hij hem niet zag en speelde huist nog een beetje harder door.Na een poosje vroeg Ben: “Wat doe je daar?”Tom zei niets. Ben vroeg het nog eens, maar een beetje luider.Tom zei nog steeds niets.

Toen schreeuwde Ben zo hard als hij kon: “Hé, ben je doof? Ik vraag wat je aan het doen bent!”

Tom keek even en zei: “Dat zie je toch.” Ben kwam een beetje dichterbij en zei: “Ik zag jouw moeder de straat uitwandelen. Laat die jou alleen in huis?” “Nee”, zei Tom, “ik heb beloofd, hier achter in de tuin te blijven spelen.” “Nou, blijf maar hier”, zei Ben, “ik durf wel te gaan kijken”.

“Ja, jij zou zeker die suikermeloen willen zien”, zei Tom.“Suikermeloen?”, vroeg Ben, “wat suikermeloen?”Tom beet op zijn lip, waarom had hij zijn mond niet gehouden over die meloen. Als hij nu niet goed oppaste, zou hij wéér in de ellende komen.“Ik zei, wat suikermeloen?” vroeg Ben.“O, mijn vader bracht er gisteren één mee. We eten hem zaterdagavond op.”

“Daar geloof ik niks van”.“Waar geloof je niks van?” vroeg Tom.

“Ik geloof er niks van dat jullie een suikermeloen in huis hebben.” Voordat Tommy wist wat er gebeurde waren Ben en hij het tuinpad door naar het achterhuis. Tom wilde teruggaan. Maar dan zou Ben hem een leugenaar noemen.“We gaan niet in huis”, zei hij, “we kunnen de meloen door het raam zien”.“Natuurlijk”, zei Ben, “dat begrijp ik, door het raam is al genoeg.”Toen de jongens door het keukenraam keken, konden ze de meloen op tafel zien liggen. Ben stond op z’n tenen en zei: “Sjonge, ’t is een grote knaap. Ik hoop dat-ie rijp is.”“Rijp? Natuurlijk is het rijp. Dacht je dat mijn vader een slechte meloen zou kopen?”“Nou, dat kan best per abuis, “ zei Ben.

Per abuis? – Ja, daar had Tom nog niet aan gedacht.“Ja, kijk eens, hij ziet er wel rijp uit maar zeker weet je het niet.”“Ik denk dat je pas zeker weten kan dat-ie rijp is, dacht Tom hardop, “wanneer je hem opensnijdt; maar dat doen we pas zaterdagavond.”“Het zou vervelend zijn als hij van binnen nog groen was.” zei Ben, “maar wacht eens, ik weet wel een manier om te weten of hij rijp is zonder dat je hem opensnijdt”.“O ja?”, vroeg Tom, “hoe dan?”“Nou, dat is erg eenvoudig”, zei Ben, “je klopt er tegen en dan kan je aan het geluid horen of hij rijp is of niet.”

“Gewoon kloppen met je vinger?” Tom was erg nieuwsgierig of de meloen rijp was. Maar hoe kan je nu tegen een meloen kloppen zonder dat je in huis gaat?“Ik wil het met plezier voor je doen”, bood Ben aan.Tom dacht er een ogenblik over na. Het zou niet leuk zijn, de meloen zaterdag te openen en dan te merken dat hij niet rijp was. Wanneer Ben dat nu te weten kon komen door er tegen te kloppen, wat voor kwaad zou er in zitten?“Kom op, mee naar de keuken”, zei Tom “het moet dan maar”. Tom voelde zich niet op z’n gemak, want hij had zijn moeder beloofd niet het huis in te gaan.Ben pakte de meloen en bekeek hem eens goed. Klopte er tegen. Hij wachtte een poosje en klopte nog eens.“Is t rijp?”, vroeg Tom benauwd.“Ik denk…denk…van…wel”, antwoordde Ben langzaam.“Weet je ’t niet zeker?”“Hij klinkt wel tamelijk rijp.”“Maar we moeten het zeker weten”.“Kijk”, zei Ben, “er is maar één manier om het helemaal zeker te weten.”“Maar we kunnen hem niet opensnijden!” “Nee, ik bedoel niet open snijden, maar alleen een klein gaatje onderin maken. Dan kun je er in kijken en weet je het zeker. Zo’n gaatje is niet erg, want het is maar ontzettend klein.”“Erg klein, Ben?” “Ontzettend klein”, zei Ben weer.

Tom ging naar de la waar de vorken en messen in lagen. Hij gaf een boterhammesje aan Ben. Zonder iets te zeggen, draaide Ben de grote meloen om. Hij maakte een klein driehoekig gat in de bodem en haalde er een stukje meloen uit. “Mmmm wat ruikt dat lekker”, bewonderde Tommie, “nou, die is goed rijp, hè?”

Ben hield het voor Toms mond en vlug hapte Tom het stuk meloen er af en at het op. Hij had z’n leven lang niet zo iets lekkers gegeten. Hij vergat alles wat zijn vader en moeder hem gezegd hadden.“Hé, weet je wat je doen moet?”, fluisterde Ben, “breng de meloen achter in de tuin. Wanneer je moeder thuis komt, zeg je dat een vreemde gekomen is en de meloen gestolen heeft.”

eating-watermelonTom deed wat Ben zei. Hij nam de zware meloen en bracht hem achter het huis. Ben nam hem over en liet hem voorzichtig op de grond vallen, maar niet voorzichtig genoeg. Hierdoor brak de meloen middendoor. De jongens begonnen vlug te eten. Acht, wat was dat lekker! Met hun handen werkten ze grote stukken naar binnen.

Daar zag Tom opeens zijn moeder om de hoek van de straat komen. Ze was nog te ver om de meloen te zien, maar hij werd toch erg bang.“Kijk nou eens wat we gedaan hebben. Daar komt m’n moeder. Als ze het ziet dan….”“Ze ziet het niet”, viel Ben hem in de rede. “Ik draaf weg met de meloen en jij gooit vlug wat grond op al die rommel, die we gemaakt hebben.”Ben rende vlug weg met de rest van de meloen en Tom zag hoe zijn moeder het huis binnenging.

Een paar minuten later kwam ze naar buiten en riep: “Thomas!”Tom wist wel, als zijn moeder hem bij die naam noemde, dat er dan wat voor hem op zat.“J-ja, moeder!”“Kom ’s hier!”Daar kwam Tom aan.“Wat is er met de meloen gebeurd?”vroeg zijn moeder.“De meloen? Is er iets mee gebeurd?”“Hij is weg. Vertel me direct hoe dat komt”.“E-eerlijk, moeder, ik weet n-nergens van”.“Vooruit, vertel op. En geen smoesjes.”Hij kreeg het ontzettend benauwd. Toch wilde hij het niet vertellen.“Er kwam een vreemde meneer aan de deur, die vroeg waar u was en toen zei ik dat u niet thuis was. Dan is die zeker naar binnen gegaan en heeft de meloen meegenomen.

“Dat is niet waar Tom”, zei z’n moeder, “en je vader zal het er nog wel met je over hebben”.

Die avond vertelde Tom zijn vader hetzelfde verhaal wat hij aan zijn moeder had voorgelogen.

Toen zei deze: “Ik wil je één ding zeggen, Tom. Je kunt mij bedriegen. Je kunt je moeder bedriegen. Maar God kun je niet bedriegen. De Bijbel zegt: Weet voorzeker dat uw zonde u vinden zal. – God weet precies wat er gebeurd is, Tom, en je moet niet denken dat je ooit je zonde voor Hem kunt verbergen.” Het werd vrijdag en zaterdag, dan zaterdagmiddag. De familieleden kwamen voor het avondeten en na de maaltijd kreeg ieder….. een appel. Niemand zei een woord over de suikermeloen.

Het was bijna twee weken later en Tommy had de meloen al aardig vergeten. Hij vond, dat hij er mooi vanaf was gekomen. Hij speelde iedere dag weer net alsof er niets was gebeurd. Het was telkens mooi weer en er waren een bende spelletjes aan het doen. Op een avond ging Toms vader naar de tuin om het grasveld te maaien. Toen hij een poosje bezig was, riep hij: “Thomas! Thomas! Kom eens hier!”Tom liep vlug naar zijn vader en vroeg zich terwijl af, wat voor kwaad hij vandaag gedaan zou hebben. Hij wist nergens van.“Ik denk dat ik de dief gevonden heb die de suikermeloen gestolen heeft”, zei zijn vader.“S-suikermeloen? W-wat? De dief gevonden? Heeft de politie de man gepakt?”“Er was geen vreemde man die de suikermeloen gestolen heeft.”“O, nee, vader, wie heeft het dan gedaan?”“Ken je nog dat vers uit de Bijbel, Tom? WEET VOORZEKER DAT UW ZONDE U VINDEN ZAL! Weet je nog wat ik je gezegd heb? Je kunt je moeder en mij bedriegen en een heleboel mensen bedriegen, maar je kunt God niet bedriegen.” “J-ja, dat weet ik nog, vader, maar wat heeft dat te maken met de suikermeloen?”

Zijn vader wees naar de grond-precies op de plek waar Tommie en Ben de meloen hadden gegeten.“Wat is dat?”“Wat, vader?”“Op de grond daar.”“Nou, dat is zeker gras”.“Nee, die kleine plantjes, dat is geen gras. Wat is het?”Tom zag de kleine sprietjes. Het waren er tientallen. Door de grond en het zand heen waren ze naar boven gekomen, naar de zon toe.“Ooooo….èèè…. zouden het zaadjes zijn?”Vader trok een sprietje uit de grond; onderaan zat een langwerpig geel zaadje.“Zaadjes, Tommie? Wat voor zaadjes?”“Oej… Ik denk dat het suikermeloenplantjes zijn.”“Juist, het zijn suikermeloenplantjes”, zei z’n vader, “zal ik je eens vertellen, wat er gebeurd is?Je moeder is weggegaan om een boodschap te doen. Ben is gekomen en zag dat je in de tuin aan het spelen was. Is dat zo?” “Ja, vader”, antwoordde Tom.“En toen heb je met Ben de suikermeloen hierheen gehaald en opengebroken. Klopt dat?” Tom knikte.

“Toen zag je dat je moeder er aankwam. En jij hebt grond over de zaadjes heen gegooid.”

“Ja, vader, zo ging het.”“Maar je hebt iets vergeten. Je vergat dat God elke dag Zijn zonneschijn naar de aarde zendt. En dat die zaadjes door die zonneschijn gaan groeien. Al had jij die zaadjes nog zo goed weggestopt, God wist al die tijd waar ze waren. Voor God kun je geen zonde verbergen, Tommie”.Nu, zag Tom pas wat een slechte jongen hij was geweest. En hij had er ook erge spijt van. Hij begreep wel dat een flink pak slaag zou volgen. Maar hij kreeg geen pak slaag. Zijn vader las hem in huis voor uit de Bijbel uit de eerste brief van Johannes, hoofdstuk 1 vers 9, waar staat: “Als wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig, dat hij onze zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid.” Tom’s vader zei, dat Tom zijn zonden aan God moest belijden, alles aan Hem vertellen. En dat God dan de zonden vergeeft omdat de Heere Jezus daarvoor aan het kruis gestorven is. Op die dag werd Tom bekeerd. Hij voelde: God heeft nu niet alleen de zonden, die ik pas gedaan heb, vergeven, maar Hij heeft AL mijn zonden vergeven omdat ik het Hem verteld heb en omdat ik geloof dat de Heere Jezus daarvoor mijn straf gedragen heeft aan het kruis. Tom was nog nooit zo blij geweest en ook zijn vader en moeder waren erg blij toen hij het hun vertelde. Zijn wens was nu, voortaan eerlijk te zijn.

Comments are closed.